Geschreven door: Peter Van de Ven

 

 

DUURZAAM BELGIË

 

 

 

 

 

 

 

   

 

Studies in geweldloze politiek - maart 2007

INTERCULTUREEL IS MONOCULTUREEL


Bestaat er werkelijk zoiets als “progressief Vlaams-nationalisme” zoals de partij SPIRIT beweert te belichamen? En is dit “links-liberaal” flamingantisme dan de exponent van moreel denken? Gezien de aanspraken die SPIRIT maakt op de Belgische politiek geen onbelangrijke vragen. Eén van de kernbegrippen uit de ideologie van SPIRIT is “interculturaliteit” die hét instrument bij uitstek tegen onverdraagzaamheid zou zijn, in het bijzonder tegen racisme en tegen het Vlaams Belang.

De ideologie van SPIRIT is een regionalistische. SPIRIT-politici zeggen dus niet: “Ik ben tegen racisme”, maar wel: “Ik ben voor een racisme-vrij Vlaanderen”. Beide uitspraken zijn fundamenteel verschillend.

Wie stelt: : “Ik ben tegen racisme”, maakt een morele stellingname, een uitspraak over morele attitude en een expressie over inzicht in de menselijke waardigheid. Uit het besef en het beleven dat alle mensen gelijk in waardigheid geboren zijn en daardoor principieel gelijke rechten hebben, groeit het bewustzijn van objectieve onrechtvaardigheid door ongelijke behandelingen. Het gevoel voor rechtvaardigheid is zelfs bij dieren waar te nemen, het behoort tot ons diep innerlijk mens-zijn.

Wie daarentegen stelt: “Ik ben voor een racisme-vrij Vlaanderen”, doet geen uitspraak over moraliteit, maar wel over “Vlaanderen”, dus niet over racisme. Hij profileert zich tegenover degenen die een ander soort Vlaanderen willen, bv een “echt Vlaams Vlaanderen”.

In de huidige historische context krijgt die houding nog een extra betekenis, aangezien er geen onafhankelijke Vlaamse natie bestaat. Wie dus stelt : “Ik ben voor een racisme-vrij Vlaanderen”, stelt tegelijk dat hij Vlaanderen op één of andere manier als een autonome regio beschouwt of zelfs kiest voor een onafhankelijk Vlaanderen. De stelling: “Ik ben voor een racisme-vrij Vlaanderen”, gaat niet alleen over Vlaanderen, die stelling hoort thuis in het Vlaams-nationalisme.

In welke mate de bezorgdheid van voorstanders van "een verdraagzaam Vlaanderen" niet bij verdraagzaamheid maar wel degelijk bij de invulling van hun aanbeden regio ligt, kan men bij voorbeeld aflezen aan volgend citaat uit een opiniestuk van Walter Pauli naar aanleiding van de verkiezingsstunt van SPIRIT-politicus Wouter Van Bellingen, de massatrouw in Sint-Niklaas op 21 maart 2007 dus:

"Met een breugeliaans gebaar een snuit trekken tegen de onverdraagzaamheid, de kilte en de bitterheid, ook dat is gelukkig een beeld van Vlaanderen dat de internationale gemeenschap gisteren van ons te zien kreeg, een gelukkig en veel te zeldzaam tegengif tegen het extreem rechtse imago dat ons hoe langer hoe meer parten speelt. Spirit weet dat het met Van Bellingen goud in handen heeft. Laat Geert Lambert al zijn gewicht gebruiken om hem op een lijst te duwen." (DM 22-03-2007)

Vlaams-nationalisme is op zijn beurt een vorm van fundamentalisme. Wie stelt dat hij voor een racisme-vrij Vlaanderen is, verwerpt het ene fundamentalisme om het andere te omarmen. Fundamentalisme, en bijgevolg Vlaams-nationalisme, past niet bij anti-racisme. Het verdeelt in “wij” en “zij”, eerst “Wij Vlamingen” tegenover “Zij Walen”, en, in het geval van SPIRIT, daarna in “Wij anti-blokkers” tegen “Zij, Vlaams Belangers”.

Door sommige Vlaams-nationalisten wordt het bestaan van hun natie als reeds voltooid beschouwd, omdat ze stellen dat “Vlaanderen in Europa” een onvermijdelijke historische evolutie is. Voor rechtse of conservatieve Vlaams-nationalisten mag dat niet verbazen, maar voor "progressieve" roept deze verklaring over noodzakelijke historische evoluties toch vragen op. “Traditioneel” immers zijn progressieve kringen verdedigers van de maakbaarheid van de samenleving, een visie die niet rijmt met historische onvermijdelijkheden. Zulk een maakbaarheid “à la carte” is de schijnheiligheid “en personne”. In de marge hierbij wil ik opmerken dat “zelfbeschikkingrecht der volkeren” alleen geldt tegenover gekoloniseerde gebieden, en dus niet voor “Vlaanderen”.

Zo bestaat er een compliciteit tussen links en rechts Vlaams-nationalisme: ze willen allebei een onafhankelijk Vlaanderen, en de voorstanders van een “progressief Vlaanderen” trekken mee aan de kar van de racistische Vlaams-nationalisten, samen verbonden in hun anti-Belgisch gedachtengoed en anti-Belgische mythologie.

Het Vlaams-nationalisme verwijst ook graag naar zijn “pacifistische” instelling onder de slogan “nooit meer oorlog”. Het gaat hierbij echter om een zeer oppervlakkig anti-militarisme dat zich beperkt tot de afwijzing van oorlogsgeweld, maar juist daardoor de deur wijd open zet voor het gebruik van andere geweldmiddelen zoals intimidaties, propaganda en manipulaties allerlei. Dat Vlaams-nationalistische politici zonder blikken of blozen stellen dat “Vlaanderen meer autonomie wil”, terwijl meer dan de helft van “De Vlamingen” een unitair België verkiest, is daarvan een treffend voorbeeld. Een democratisch Vlaams-nationalisme: het bestaat gewoon niet.

SPIRIT wil zich afzetten tegenover het Vlaams Belang door middel van het begrip “interculturaliteit” en “diversiteit”. Interculturalisme zou niet alleen het absoluut goede vertegenwoordigen tegenover het absoluut kwade van het monoculturalisme van het Vlaams Belang, maar ook tegenover het “extreem multiculturalisme” van de huidige “gefragmenteerde” samenleving.

In elke multiculturele samenleving vinden spontaan interculturele contacten plaats, maar daar hebben de voorstanders van interculturalisme het niet over. Voor hen moet interculturaliteit tot burgerplicht worden verheven en in de opvoeding verwerkt, thuis en op school.

"Aussi, en combattant les stéréotypes, la xénophobie et de ce fait les phénomènes d’exclusion, l’éducation interculturelle est l’une des formes que peut prendre l’éducation à la citoyenneté. "

Of, met de woorden van de Belgische antroploog (en huisideoloog voor SPIRIT ?) Rik Pinxten:

“Speaking at the plenary session on interculturalism, Dr. Rik Pinxten, Professor in anthropology and President of the Humanist Alliance in Belgium, explained that the meaning of culture is not clear cut: the shift from countryside and small village level to globalised urbanization is taking place, in effect, leading to multiculturalism. We are all becoming more globally connected, it is therefore essential that we live, practise, negotiate and learn to behave in an intercultural context. Intercultural education should be an important focus for Humanism”

Het doel van deze plicht tot interculturaliteit is het wegwerken van de multiculturele samenleving, die te gefragmenteerd zou zijn, naar een nieuwe interculturele fusiecultuur, met diversiteit onder de vorm van “subculturen”.

“Interculturalism seeks to enhance fusion by looking for commonalities. Hence, a new world culture is constructed based on the fusion of all commonalities of cultures. The differences that remain make up the subcultures of the world." (Wikipedia)

Rik Pinxten schrijft het zo:

“Conclusie is dus dat men in een multiculturele maatschappij moet beginnen met die dingen waarover een grote, zij het stilzwijgende consensus bestaat: "eentaligheid is onzin" b.v. Op die manier kunnen prioriteiten vastgelegd worden, eventueel in confronterende gesprekken.
Opdracht is dus eenzelfde soort behoeften in kaart te brengen en grenzen van territoria open te gooien . In enkele demonstraties van wijkprojecten na afloop van de lezing van prof. Pinxten zal aangetoond worden hoe men er inderdaad kan in slagen om van "mijn straat" "onze straat" te maken door zich te concentreren op wat bindt.”

Het spreekt vanzelf dat de hegemonie van zulk een geforceerde fusiecultuur, in niets verschilt van monoculturaliteit. Het gaat bij interculturalisme over de dwang van de consensus. Bovendien wordt hierbij “intercultureel handelen” tot nieuwe norm verklaard van een nieuwe conformistische samenleving.

Rik Pinxten:

"Hoe moet het dan wel? In plaats van een glas met 125 bolletjes die elk een eigen kleur hebben, moeten we komen tot bolletjes die allemaal schakeringen van de verschillende kleuren bezitten. Het één is wat witter dan het andere dat dan weer een klein beetje rood is enzovoorts"

Authenticiteit verdwijnt volledig in het dwangmatig interculturalistische denken van Rik Pinxten, en ze wordt vervangen door een interculturele dominante fusiecultuur met kleine accentverschillen, een wereld waarin geen plaats meer is voor mensenrechten, maar die slechts op drie minimalistische "rechten" steunt:

Rik Pinxten:

"Maar wat houden die minimale afspraken nu in voor een civiele maatschappij? Het gaat in ieder geval over afspraken waar iedereen zich aan houdt en die je in onze cultuur kunt omschrijven als alles wat ‘typisch Europees’ is. Het vertrekt allemaal van de ‘instituten’ die – voor Europa zo’n vijftig jaar geleden – een aantal elementaire principes als vrijheid, gelijkheid en solidariteit als ‘basisplatform’ naar voren geschoven hebben om te komen tot die minimale afspraken voor iedereen. (...) Slotsom. Die basisafspraken, daar gaat het over. Al de rest is betuttelend".

M.a.w.: ook voor Rik Pinxten, net als voor zijn extreem-rechtse collega's, mogen de mensenrechten de vuilbak in wegens "te betuttelend". Net als de ideologen van extreem-rechts beschouwt Rik Pinxten de democratische lekenstaat als een soort "godsdienst" en niet als een legaal kader dat de basis vormt voor een vredelievende multiculturele maatschappij. Of nog anders gezegd: Rik Pinxten redeneert nog steeds in feodale paradigma's.

De ideologie van interculturalisme, dat het multiculturalisme verwerpt, steunt op de idee dat culturen objectief niet waardeerbaar en dus ook niet objectief vergelijkbaar zijn. Zo schrijft Raimon Pannikar:

"4. Les cultures sont mutuellement incommensurables.
Comme nous faisons tous partie d’une culture au moins, il ne saurait exister de point de vue extérieur ’neutre’ à partir duquel évaluer ou juger une autre culture ; nous sommes dans tous les cas dépendants du langage et des critères de vérité de notre propre culture. En conséquence, il est impossible d’établir une hiérarchie entre les cultures ou de prétendre que les valeurs d’une culture peuvent s’appliquer toujours aux autres cultures ; c’est dire qu’il est impossible d’absolutiser ou d’universaliser ses propres valeurs."

Uit deze cultuurrelativistische vooronderstelling volgt dan een soort “plicht tot openheid” tegenover het andere en de andere. Door de afwezigheid van intrinsieke waarde van cultuur verschuift de verantwoordelijkheid voor de spanningen tussen culturen van de kenmerken van een cultuur naar de persoonlijkheidskenmerken van de burger, dwz ze worden toegeschreven aan individuele onverdraagzaamheid. Interculturalisme eindigt noodzakelijk in de culpabilisering van het individu.

Interculturalisme verwerpt niet alleen de intrinsieke waarde van cultuur, ze verwerpt tevens de waarde van traditie en erfgoed. Alleen vernieuwing en “creativiteit” zijn waardevol en genieten overheidssteun, en aldus sluit interculturalisme naadloos aan bij een dwangmatig consumerende wegwerpmaatschappij, die elke notie van het begrip erfgoed, zorg en waarde vergeten is. De cultuurprojecten van de UNESCO mogen voor interculturalisten opgedoekt worden waarschijnlijk, en "Kunst", is voor hen verwerpelijk want elitair.

Om Rik Pinxten opnieuw te citeren:

“Prof. Pinxten ziet dus twee criteria voor de overheidsbeslissing om iets te ondersteunen, te subsidiëren: heeft iets een creatief, verruimend aspect, of is het pure herhaling ? Volgens hem moet men Disbeyshows, David Bowey, traditionele Turkse sazd of Marokkaanse Gnawa dus niet betoelagen.

(…)

Reagerend op een vraag uit het publiek of het leren kennen van de traditie(s) geen belangrijke opgave van het cultuurbeleid is, hield prof. Pinxten vast aan zijn uitgangspunt dat prioritair creatieve en met het publiek dialogerende culturele uitingen moeten bevorderd worden in plaats van klassieke als opera (is één opera voor België niet voldoende ?) of het klassieke toneel.”

Fundamenteel is dat interculturalisme, net als monoculturalisme, vertrekt van een homogene visie op cultuur. “De Katholiek” wordt verondersteld zich open te stellen voor “De Moslims” en “De Westerling” voor “De Chinezen”. Ook het interculturalisme gaat uit van de vooronderstelling, en gebruikt de voorstelling, van culturen als Eén. Nochtans zijn er veel soorten islam, en veel variaties in het christendom, en niet alle Chinezen volgen Confucius of Mao. Beter is de culturele werkelijkheid te bekijken als een structuur, een cosmos van cultuurelementen, die elk apart op hun objectieve en intrinsieke waarde kunnen worden getoetst aan de hand van de menselijke waardigheid.

Omdat interculturalisme uitgaat van cultuurhomogeniteit, verdwijnt ook elke vorm van cultuurkritiek. Een bepaalde culturele praktijk kan in de visie van interculturaliteit niet meer als onwenselijk worden benoemd, cultuur zou immers niet objectiveerbaar zijn, het enige wat wordt gevraagd, is openheid tegenover andere culturen. Wanneer Rik Pinxten kritiek heeft op politici die de legalisering van clitoridectomie voorstellen, kan hij dit dus niet op basis van de objectieve verwerpelijkheid van vrouwenbesnijdenis, maar enkel en alleen op basis van de openheid die van moslims in een interculturele samenleving geëist kan worden tegenover westerse waarden.

De werkelijkheid van een interculturele samenleving is niet om naar uit te kijken, zij wordt gebouwd op basis van dwang en culpabilisering, en betekent de ontwaarding van de mens als individu.

De kritiek op “extreem multiculturalisme” is nochtans niet misplaatst. “Multicultureel primitivisme” is de term die ik gebruik om ongepast respect voor andere cultuurelementen uit te drukken. Het gaat hierbij om het conflict tussen de werkelijkheid van een feodale samenleving en de moderne context van een democratische rechtstaat. Culturen die afkomstig zijn uit een feodale context en die recht een democratische rechtstaat worden binnen geworpen, ondergaan een zwaar aanpassingsprobleem, niet zozeer omdat zeden en gewoonten verschillen, maar omdat de onderliggende logica van de samenleving fundamenteel verschilt. Er ontstaat een spanning tussen de wetten van de feodale cultuur met die van de democratische rechtstaat, juist omdat die rechtstaat godsdienstvrijheid en multiculturaliteit garandeert, en daarmee religieus absolutisme verwerpt. Overdreven toegeeflijkheid ten aanzien van feodale gewoonten in naam van de multiculturele tolerantie, noem ik dus “multicultureel primitivisme”.

Een probleem is ook het onderscheid tussen negatieve discriminatie enerzijds en de afwezigheid van positieve discriminatie of van een voorkeursbehandeling anderzijds. Het is mijn stelling dat de weigering van een voorkeursbehandeling (hoe moreel wenselijk men die kan vinden) geen discriminatie is noch kan zijn. Wanneer dus een lerares wiskunde een islamitische hoofddoek (of hijab) wil dragen in een situatie waarin het dragen van hoofddeksels verboden is omwille van een neutraliteitseis, vraagt ze om een voorkeursbehandeling (op religieuze gronden) en is de weigering daarvan geen discriminatie. Aansluitend hierbij is de tendens om alles waar het label "religie" of "levensbeschouwing" kan op geplakt worden, boven de wet te stellen. Zo sprak recent een Duitse rechter een man vrij die zijn vrouw mishandelde, omdat de mishandeling de voorschriften van de Koran zou gevolgd hebben. Nochtans zijn in een democratische samenleving de mensenrechten richtinggevend, niet de Koran. De geldigheid van de Sharia werd doorom terecht door Europa verworpen.

Of anders: de school hoeft hoofddeksels niet te verbieden, maar als ze het doet in het kader van een neutraliteitseis, is het geen discriminiatie ten aanzien van de gesluierde lerares. De hoofddoek staat in de islam, waar "opus dei" in het christendom voor staat: een conservatieve interpretatie van de religie. Een hoofddoekverbod ten gevolge van een neutraliteitseis kan dus die meisjes en dames beschermen die een weg zoeken om daar onderuit te raken.

Voor leerlingen ligt dat ietwat anders, omdat die, in tegenstelling tot de lerares, aan leerplicht onderworpen zijn. In dat geval zou een neutraliteitseis tot indirecte discriminatie kunnen leiden, zoals er eveneens in gevallen waarbij de overheid eerst bepaalde beroepenvelden stimuleert om er nadien een neutraliteitseis op te leggen, op zijn minst van misbruik van vertrouwen kan gesproken worden. Het toelaten van een discrete hoofddoek te samen met de belofte andere “hoofdddoekloze” moslima’s niet te indoctrineren tot meer “vroomheid” lijkt me in die gevallen de meest aangewezen oplossing.

De gouverneur van Oost-Vlaanderen heeft dus terecht het specifieke besluit van het gemeentebestuur van Lokeren verbroken als zijnde discriminatie en gesteld dat Lokeren ofwel een algemene neutraliteitseis moest invoeren, ofwel de hoofddoek toelaten. Anderzijds is het verbod op gezichtsbedekkende sluiers bij leerlingen in Groot-Brittannië evenzeer correct, omdat een gezichtsbedekkende sluier moeilijk “discreet” genoemd kan worden.

Multicultureel burgerschap vermijdt het probleem van primitivisme. Hierbij genieten de burgers volledige culturele vrijheid, zo lang die zich voltrekt binnen de grenzen van de democratische rechtstaat en van de mensenrechten. Interculturele contacten zijn daarbij perfect mogelijk, en fusieculturen kunnen ontstaan in aanvulling met de oorspronkelijke: zij betekenen niet meer dan nog een cultuur erbij. Interculturaliteit kan in een democratische, multiculturele samenleving nooit de norm zijn, dwz interculturele contacten zijn bij voorkeur volstrekt vrijwillig en nooit afgedwongen.

Bij wijze van beeldspraak is het nodig zich ervan bewust te zijn dat zelfs de meest seksverslaafde vrouw verkracht kan worden. “Seksueel contact” is daarbij niet het item, wel de vrijwillige instemming ertoe. Hetzelfde geldt voor interculturele contacten: zij zijn best een expressie van menselijke vrijheid en niet het gevolg van overheidsarchitectuur. De overheid doet er goed aan deze vrijwillig aangegane interculturele contacten te steunen en mogelijk te maken door ze op zijn minst niet te bemoeilijken door het afwingen van vooropgestelde keuzes (of dit, of dat,...), maar dat is niet hetzelfde als interculturaliteit tot doel op zich verklaren.

Het gaat om authenticiteit in een moderne samenleving waarbij cultuur een expressie is van de vrijheid van de mens, niet van zijn volgzaamheid, zoals Rik Pinxten blijkt te denken.

De voor een samenleving noodzakelijke gemeenschappelijke basis groeit uit de universele kenmerken van de mens als biologisch en behoeftig wezen, uit zijn universele waardigheid, niet uit een relativistisch openstellen ten aanzien van om het even wat, en nog minder uit dominerende fusieculturen. Ik heb niet de minste behoefte aan een fusie van Darwin en ID, en ik wil daar ook niet als “niet-open” voor gestigmatiseerd worden, en ik sta op het recht om onzin als “onzin” te kunnen benoemen.

Cultuurkritiek, niet interculturaliteit, is daarom en daarbij essentieel. Zonder objectivering van cultuurelementen is cultuurkritiek onmogelijk, het is hierin dat interculturalisme principieel faalt. Het komt aan de individuele mens toe om binnen de vrijheid, die de rechtstaat hem garandeert, cultuurelementen objectief te evalueren, te aanvaarden of te verwerpen met het oog op menselijke waardigheid. Omwille van de universaliteit van deze menselijke waardigheid kan zo een wederzijds begrip en respect groeien tussen mensen zonder dat zij hun authenticiteit verliezen. Kortom: het fundament van een democratische rechtstaat is de natuur van de mens of “de natuurlijke mens” die door middel van cultuurkritiek kan bouwen aan een vredelievende samenleving. Zonder notie van cultuur-objectiviteit is zulke een verdraagzame en vredelievende samenleving onmogelijk, omdat zonder cultuurkritiek geen contact kan gelegd worden met de menselijke natuur, dit is, “de behoeften van de mens”.

Interculturalisme leidt naar conformisme, culpabilisering, inhoudsloosheid, subjectivisme, relativisme, kunstmatigheid, verlies van authenticiteit en naar onverdraagzaam nationalisme op basis van een fusiecultuur, niet op basis van gelijke grondrechten. Interculturalisme beschermt de verscheidenheid niet, het vernietigt ze door het zoeken naar deze dominante fusiecultuur.

Multicultureel burgerschap daarentegen respecteert de authenticiteit van de burgers omdat het een samenleving beoogt die een expressie is van de menselijke vrijheid en van de menselijke waardigheid in het kader van een democratische rechtstaat, vetrekkend vanuit het zoeken naar universele en objectiverende morele attitudes en inzichten.

“Intercultureel” is niet meer dan een variant van “monocultureel”, SPIRIT niet meer dan een variante van het Vlaams Belang. En even nefast.