Geschreven door: Peter Van de Ven

 

 

 

 

 

 

 

 

     
Studies in geweldloze politiek - 2006

OPMERKINGEN BIJ HET LIBERTARISCH GEWELD-CONCEPT


Inleiding: het “Non-Agressie-Principe” als basiskenmerk binnen libertarische diversiteit
" Ma vérité, c'est que la France a besoin d'être réconciliée avec un libéralisme populaire et non avec un capitalisme sans règles et sans éthique", zijn de woorden van Nicolas Sarkozy , de liberale kandidaat voor de Franse presidentsverkiezingen van 2007. Ook in België merk ik een artikel op over en van de liberale ideoloog Dirk Verhofstadt, de broer van onze Eerste Minister, die zich afzet tegen “neoliberalen en libertariërs”. Over het “economisch wonder” Celtic Tiger, nl Ierland dat economische groei bevorderde door scherpe belastingverlaging, maar daardoor ook het grootste aantal armen kent van West-Europa, woedt een scherpe discussie. In een reactie hoor ik de voorzitter van de VLD, Bart Somers, pleiten voor een maatschappelijk denken zonder groepen, maar alleen met individuen. Over mensen die op een of andere manier “genieten” van uitkeringen van sociale zekerheid, spreken sommigen meer en meer in termen van “parasieten”. Dit zijn enkele voorbeelden die tonen hoe het libertarisme stilaan een plaats inneemt in het huidige West-Europese denken.

Het libertarisme beoogt een radicale omwenteling in de maatschappij : niet meer of niet minder de vernietiging van de verzorgingsstaat, of van de overheid in zijn geheel. Dit noemen sommige libertariërs “Victory of Liberty”. Libertarisme is van origine Amerikaans, maar mede door de inspanningen van internationale libertarische organisaties, verspreidt het zich en viseert niet in het minst de beÔnvloeding van de (middenklas)jongeren, aan wie het vertelt dat ze “voor alles moeten opdraaien”.

In BelgiŽ bestaat geen Libertarische Partij, zoals in Nederland of de USA. Ik hoef daarbij zelfs geen “nog niet” te schrijven, want het libertarisme voert een dubbele praxis: enerzijds die van gelobby en meta-politiek, de politieke en intellectuele beïnvloeding dus, en die van de Libertarische Partij anderzijds. In Nederland is er (naast een libertarische promotiesite met goede contacten in België) een partij, in België zijn er de libertarische denktanks en groeperingen: Nova Civitas (tevens vermeld als liberale denktank op de VLD-site), Itinera Institute , Phaedrus, het Libertarisch Centrum. Ook Belgische liberale studentenverenigingen trekken de libertarische kaart: “jong en vrij” is niet voor niets het imago dat het libertarisme zich wil aanmeten. Van het extreem-rechtse ideeëngoed maakt libertarisme een zeer voorname pijler uit, zoals blijkt uit het overlopen van tijdschriften als "Secessie.nu | Kwartaalblad voor de studie van Separatisme en Directe Democratie" en "Brussels Journal" een veel besproken spreekbuis van extreem-rechts. Verder zijn er de libertarische weblogs , die elkaar vinden in een Vlaams-nationalistisch discours. Ook VLOTT, de kartelpartner van het extreem-rechtse Vlaams Belang, verwijst naar het libertarisme. De afwezigheid van een Libertarische Partij in België, betekent dus niet dat België vrij is van libertarisme, ver van.

Maar, wat is dat dan “libertarisme”? Geen eenvoudige vraag, omdat libertarisme in vele vormen en variaties bestaat. Niet toevallig overigens, want een manier om kritiek te ontwijken: die gaat altijd over “een ander”. De naam “libertarisme” zou echter zinloos zijn, als er niet één of enkele kenmerken waren die aan al deze diverse politieke denkrichtingen ten grondslag lagen. Wat is dan deze gedachte, dit principe, waarmee het libertarisme zich onderscheidt van andere politieke filosofieën ?

Dit principe bestaat en is het “Non-Agressie-Principe”, soms als “NAP” afgekort in libertarisch jargon. En dan wordt het voor de beoefenaars van geweldloze disciplines wel echt interessant. Libertarisme heeft eveneens een uitgesproken visie op "self-defence" en zo is ook de link gelegd met het denken over krijgskunst. Het basis-principe van het libertarisme is dus een “geweld-concept” en dat concept wil ik hier toelichten en bespreken vanuit het standpunt van vredescultuur en van geweldloze krijgskunst.


1. Het “Non-Agressie-Principe" als legitimering voor geweld
Het NAP, het libertarisch Non-Agressie-Principe wordt als volgt gedefinieerd:

“Geen enkele persoon mag het gebruik van dwingende fysieke macht (fysieke schade) initiëren tegen een ander persoon of ermee dreigen het te initiëren”.

Het is een nogal complexe definitie van geweld , dat dus verboden zou moeten zijn, wettelijk en moreel. Een demagogisch gevaar zit reeds in de verkortingen van dit principe. Zo zou je het kunnen vertalen naar: “Doe wat je wil, zolang je geen ander schaadt”, met andere woorden, het Non-Agressie-principe presenteert zich als een variatie op het “Doe-geen-schade” morele principe, als een beginsel voor een verdraagzame en vreedzame samenleving.

Niets is echter minder waar.

Het libertarisme stelt immers dat het Non-Agressie-Principe de enige beperking is op menselijk handelen, alles is toegelaten voor zover men het principe niet overtreedt. Libertarisme wordt ook omschreven als de leer dat iedereen absoluut vrij is om letterlijk alles te doen, zolang hij de vrijheid van een ander niet schaadt. Alles mag, behalve die specifieke handelingen die onder de bepalingen van “het principe” vallen.

Voor het libertarisme mag dus alles behalve geweld, maar hoe omschrijft het libertarisme dan het concept “geweld”? Hier beginnen de problemen: libertarisme heeft immers een zeer enge definitie van het begrip.

Bekijken we in detail de definitie van het Non-Agressie-Principe. Het libertarisme geeft een zeer precieze definitie van geweld: om onder de libertarische omschrijving te vallen moet een menselijke handeling dwingend én fysiek én geïnitieerd én onmiddellijk én tegen een ander gericht zijn, of daarmee dreigen. Handelingen zijn dus volgens het libertarisme geen geweld:
- als de handeling niet-geïnitieerd is, zoals bij zelfverdediging;
- als de handeling niet fysiek is, zoals gedachten, ideeën, sociale structuren, intellectuele werken, …;
- als het slachtoffer instemt met het fysiek geweld, zoals bv bij een heelkundige ingreep, maar ook zoals bij wurgseks, waarbij we opmerken dat die toestemming niet noodzakelijk expliciet gecommuniceerd hoeft te zijn, maar ook impliciet kan zijn;
- overtuigingskracht of “chantage”, alhoewel daar geen consensus over bestaat binnen het libertarisme, maar gangbaar is dat alleen zuiver fysieke dwang als dwang wordt aanzien;
- het niet-verlenen van hulp in nood;
- als het geweld tegen zichzelf is gericht;
- als het geweld zich in een vage of verdere toekomst situeert;

Opgemerkt dient dat schending van eigendom of eigendomsrechten voor het libertarisme gelijk gesteld worden aan fysiek geweld. Ook omgekeerd: met gaat uit dat ieder enig eigenaar is van zichzelf en van zijn lichaam (het zo genaamde "self-ownership" )

Wanneer men dit goed doordenkt, zal men merken dat dit geweld-concept erg weinig omvat: enkel fysiek geweld waarmee de dader zelf begint zonder toestemming van het slachtoffer. En voor het overige is alles toegelaten in het libertarisme.

We kunnen er zonder problemen van uitgaan dat geweld veel meer omvat dan deze enge omschrijving: laster, mentaal kwellen, pesten, desinformatie, propaganda, hersenspoeling, uithongeren, angstklimaat creëren, marginaliseren, isoleren, verwaarlozen, discrimineren, tot en met culturele ideologie die deze vormen van geweld of discriminatie legitimeren.

Bekijken we het zo, betekent libertarisme dat alle geweld toegelaten is, behalve die enkele menselijke handelingen die onder het Non-Agressie-Principe vallen, namelijk het initiëren van fysiek geweld tegen anderen.

Wanneer dus van twee partijen de eerste zich bezondigt aan laster, kwellen, verwaarlozen en het creëren van een angstklimaat, en de tweede daarop reageert met fysiek geweld of met een aanslag op het eigendom van de eerste, dan gaat voor het libertarisme alleen de tweede in de fout. Sterker: die tweede begaat een zware onrechtvaardigheid. Immers, uit het Non-Agressie-Principe volgt:

“Geen onrechtvaardigheid is geschied tegen een persoon van wie het Non-Agressie-Principe niet werd geschonden”.

Wie dus met fysiek geweld of met geweld tegen eigendom reageert op uitbuiting, begaat voor het libertarisme een onrechtvaardigheid, de uitbuiter is dus het slachtoffer, en de uitgebuiten de misdadigers. Uitbuiting is voor het libertarisme immers geen vorm van geweld.

Erg verbazend is het dus niet dat het libertarisme de geldigheid van de sociale wetenschappen betwist, en deze liefst beperkt ziet tot één enkele: economie, wat voor het libertarisme herleid word tot de leer van eigendom en de vrije markt. Volgens de libertarische opvatting van de praxeologie (studie van de menselijke handeling) worden daarbij geen vragen gesteld over de motivatie van een handeling, zolang er maar gehandeld wordt, dwz gekocht en verkocht wordt. Het waarom is daarbij voor het libertarisme irrelevant.

Kijken we even naar concrete punten uit de programma's van Libertarische Partijen, dan vinden we daar het recht op wapendracht, gewapende verdediging van eigendom, een volledig vrije markt en wereldkapitalisme, in het algemeen de afbraak van de verzorgingsstaat en natuurlijk ook vrij druggebruik, het recht op zelfmoord, vrije prostitutie.

Wat betreft deze laatste vrijheid tot geweld tegen zichzelf, komt het libertarisme in problemen wanneer dit geweld tegen zichzelf tevens geweld tegen anderen tot gevolg heeft, zoals in het meest extreme geval bij zelfmoordterrorisme.

Ook geweld tegen dieren is een moeilijk punt voor het libertarisme: ofwel is een dier eigendom (en dan zijn er geen dierenrechten) ofwel is het vrij (dan is het een burger) of tussenin (dan heb je een precedent in “niet-absolute-vrijheid”).

Zelfs in zuiver fysieke context is het moeilijk een duidelijk beginpunt van geweld te onderscheiden, dus: wanneer is geweld “geinitieerd”? Immers: alleen geïnitieerd geweld is in het libertarisme verboden. Wie kan aantonen dat hij met geweld antwoordt op bestaand geweld, begaat geen onrechtvaardigheid, volgens het libertarisme althans.

Libertarisme is helemaal geen variatie op het “Doe-geen-schade” principe (welk stelt dat alle schade steeds best vermeden wordt, behalve in nood en het wezen van alle geweldloze disciplines) wel integendeel. Voor de libertarische leer is elke vorm van geweld legitiem, behalve enkele zeer specifieke uitzonderingen.

Of, anders gezegd, libertarisme promoot een geweldcultuur.

2. Libertarisme als geweldcultuur
Uitgaande van de academische theorie van het libertarisme komt men snel tot de conclusie dat deze leer geen recept is voor een vreedzame samenleving. Vraag is of dit verband ook in omgekeerde richting bestaat. Heeft de libertarische praxis of conclusie de kenmerken van een geweldcultuur?

Om die vraag te beantwoorden hebben we een omschrijving nodig van het begrip “geweldcultuur”. Dit zou kunnen als een geheel aan culturele handelingen (een cultuur) beginnende bij ideologisch dualisme (dat “de mindere” “ontmenselijkt”), gevolgd door structureel en mentaal geweld, eindigend in fysiek geweld, en, omgekeerd, het organiseren van fysiek geweld door middel van mentale en structurele middelen, en gelegitimeerd door ideologisch dualisme.

Geweldcultuur kan men herkennen aan het bevatten van een ideologisch dualisme dat gelinkt aan structureel en mentaal geweld, aanleiding kan geven tot fysiek geweld, of omgekeerd. Voorbeeld zou kunnen zijn een ideologische dualisme tussen de superieure blanke versus de inferieure zwarte, welk door maatschappelijke discriminerende structuren en narratieven aanleiding geeft tot fysiek geweld, namelijk het ontvoeren van zwarten in Afrika om ze te verkopen op de Amerikaanse slavenmarkt. Omgekeerd kunnen bestaande slavenhandelaars zich bedienen van mentaal geweld en maatschappelijke structuren en uiteindelijk ook van een reeds bestaande discriminerende ideologie om hun afschuwelijke handel te legitimeren.

De vraag is dus of er in het libertarisme zulk een ontmenselijkende ideologische dualiteit bestaat, als kenmerk van geweldcultuur.

Het antwoord is: JA!

Uiteraard is er het in het oog springende dualisme tussen een (misdadige) overheid enerzijds en het (vreedzaam) individu anderzijds. Of het dualisme tussen wie een contract naleeft, en wie het “ontvlucht”. Maar erger is het dualisme tussen economisch productieven, de werkers”, tegenover de niet-productieven, de “parasieten”. En de verzorgingsstaat is voor het libertarisme misdadig omdat ze dit parasitisme organiseert. Een pamflet dat dit illustreert is het libertarisch "Antisocialistisch Manifest" van Pamela Hemelrijk.

Dat zulk een visie van anti-solidariteit snel bestaande structuren kan aantasten is duidelijk, en dat ze in een anti-parasieten discours kunnen eindigen, eveneens. Hierbij nemen we de bedenking dat in de libertarische utopie vrijwillige slavenhandel volgens sommigen mogelijk moet zijn, dat geweld tegen opstand of verzet gelegitimeerd is en dat het libertarisme voorstander is van geprivatiseerde ordediensten, en bijgevolg doemt aan de einder de realiteit van mensen die met fysiek geweld gedwongen worden tot werken.

Libertarisme is zonder enige twijfel een geweldcultuur. Dat die geweldcultuur zich voordoet als het exclusieve middel om louter door de afwezigheid van dwang een vreedzame samenleving van gelukkige mensen te scheppen, maakt dat alleen erger. We mogen niet vergeten dat Amerika, als land van oorsprong van het libertarisme, vele voormalige slavenhandelaars en ex-kolonialen herbergt, die in het libertarisme de ideale ideologie zouden kunnen zien om hun voormalige ambities nieuw leven in te blazen.

En zo komen we bij het volgende punt: liegen en bedriegen als libertarische standaardstrategie, of de libertarische “propaganda”-machine.

3. Misleiden en bedriegen: de libertarische propaganda
Geweldcultuur die zich voordoet als exclusieve weg naar een vreedzame utopie, het is geen toeval binnen de libertarische praxis. Binnen het libertarisch narratief worden immers systematisch waarden omgekeerd: rechtvaardigheid en solidariteit worden misdaad en geweldpleging genoemd, uitbuiting is het rechtvaardig persoonlijk eigendomsrecht, te lage lonen zijn een correcte waardering van de vrije markt, openbare orde is dwang, maar wapendracht en privé-milities zijn een vorm van rechtmatige zelfverdediging, enz. De lezer van de libertarische propaganda wordt zo geconfronteerd met een discours dat systematisch boven onder en onder boven noemt, dat licht zegt tegen donker en omgekeerd. Daardoor meet het libertarisme zich een jong en positief imago aan, waar het in de feiten gaat om een teruggrijpen op vroegere kapitalistische uitbuiting: de klassiek liberalen als John Locke gaan voor sommige libertariërs niet ver genoeg. Libertarisme kan dan ook probleemloos een fundamentalisme genoemd worden.

In haar “pleidooien” voor de “Victory of Liberty” schuwt het liberaristische discours geen drogredeneringen. Zo zijn er gezagsargumenten omdat sommige Nobelprijswinnaars economie libertarisch behoort te zijn. Zo is er ook het ongebreideld gebruik van misplaatste inducties (van individu naar arbeid en eigendom), uitgangspunten in strijd met de werkelijkheid (bv alle mensen staan apart), de opmerking “nu is er ook armoede” beter bekend als de drogreden “tu quoque”, en het spelen op begripsverwarring (bv begeerte/behoefte). Ook dit gebruik van drogredeneringen is systematisch.

Libertarisme claimt een exclusieve kijk op de werkelijkheid, en dat geldt ook voor de interpretatie van de geschiedenis. Die laatste wordt “herzien” tot vertellingen waarin steeds “de brave privé-ondernemer” het slachtoffer wordt van “de misdadige overheid”. Revisionisme is één van de belangrijke pijlers van het libertarisme.

De libertarische indoctrinatie tracht dus een verdraaid beeld van de werkelijkheid te creëren waarbinnen haar legitimering van uitbuiting als weldaad “logisch” lijkt. Deze desinformatie is op zich al een vorm van mentaal geweld.

Besluit
Libertarisme vertoont alle kenmerken van een geweldcultuur: theoretisch/academisch legt het de fundering van/voor een geweldideologie, het streeft een radicale libertarische omwenteling van de maatschappij na (de revolutionaire idee van “Victory of Liberty”) of bedient zich van meta-politiek en denktanks om zo de politiek onrechtstreks te beïnvloeden, het hanteert een ideologisch dualisme tussen “productieven en parasieten”, en gebuikt systematisch bedrieglijke argumentatievormen en valse voorstellingen van de werkelijkheid.

Het libertarisme doet zich voor als de exclusieve weg naar een vreedzame samenleving van gelukkige en vrije individuen, maar is in werkelijkheid de legitimering van een onverbiddellijke geweldcultuur, waarin enkele privé-instanties alle maatschappelijke macht en eigendom naar zich toehalen en die macht en eigendom met geweld afschermen.

Men kan er, ook in België, niet voldoende voor gewaarschuwd zijn.