| Geschreven door: Peter Van de Ven
DUURZAAM BELGIË |
||||||||
|
|
Studies in geweldloze politiek:
VRIJ SPREEKRECHT BEKNOT, VRIJE MENINGSUITING BEVRIJDT
Vrij spreekrecht staat voor absoluut vrij spreken , het Absoluut Vrije Woord, dat gezien wordt als dé basis van “De Democratie”, waarmee dan directe democratie bedoeld wordt. De verdedigers van dit standpunt gaan uit van een “scheiding tussen woord en daad”, dwz zij ontkennen elk mogelijk causaal verband tussen het (gesproken) woord en daden die daarop volgen. Het verbieden van een uitspraak zou steeds een "groter kwaad" zijn dan de uitspraak zelf, ook al heeft die enkele negatieve gevolgen. Daarom, betogen zij, moeten woorden vrij zijn, daden echter niet. Dit is het standpunt van "De Vrijbrief" (1) , "Brussels Journal", “Secessie.nu”, “Democratie.nu” en van het Vlaams Belang. Vrije meningsuiting daarentegen ziet het vrije uiten van meningen als een onderdeel van verdraagzaamheid, als één van de pijlers van de vredelievende samenleving. In tegenstelling tot vrij spreekrecht, kan vrije meningsuiting wel groot, maar nooit absoluut zijn. Maatschappelijke onrechtvaardigheid moet immers niet “verdragen” worden, en meningsuitingen die kunnen beschouwd worden als een maatschappelijke onrechtvaardigheid vallen dus niet onder de bescherming van de vrije meningsuiting. Dit is het standpunt van de UNESCO, het Europees Hof voor de Mensenrechten, en ook van de Belgische overheid.
De voorstanders van vrij speekrecht noemen zelf daarentegen de echte democraten, de echte voorstanders van “De Vrijheid” zijn. Hiertoe verwijzen ze naar de “Paradox van de verdraagzaamheid”: wie, in naam van de verdraagzaamheid, onverdraagzaam is tegen de onverdraagzamen, is zelf niet meer verdraagzaam. En dus zou spreekrecht absoluut vrij moeten zijn. Maar is dat werkelijk zo? Is “Absoluut Vrij Spreekrecht”, het “Absoluut Vrije Woord”, de basis van een super-democratie? In deze tekst vindt u enkele bedenkingen. 2. “Vrij Spreekrecht”: lawaai en intimidatie aan de macht.
De
vrijheid van het" Vrij Spreekrecht" blijkt dus wel niet zo vrij
te zijn als men zou denken: ze wordt beknot door vorm (alleen woorden),
intimidatie, overschreeuwen, gebrek aan informatiebronnen, het mogelijk
verbod op “gesproken daden” en “foute expertises”,
en tevens door eigendom.
3.
Vrije meningsuiting: van vrijheid naar emancipatie. -
Hoe is de mening verwoord? (*) Opdat een willekeurige uitspraak een mening kan genoemd worden, dient ze aan bepaalde kwaliteitsvoorwaarden te voldoen, anders zijn het alleen maar woorden. Uiteraard bestaan er nog andere vrijheden dan de vrijheid van meningsuiting die "irrationele", geloofs- of gevoelsmatige expressies beschermen: de godsdienstvrijheid, de artistieke vrijheid,... . Maar een belangrijke bijkomende vraag is of de mening of expressie die de mensenrechten schendt, of aanzet tot mensenrechtenschendingen, ook onder deze vrijheid valt. Of, zoals het nog geformuleerd wordt: "Hoe verdraagzaam moet men zijn tegenover onverdraagzaamheid?" Men kan zich daarbij afvragen waarom een spreker zou moeten kunnen genieten van vrijheden en rechten die hij zelf weigert te geven aan anderen. De mensenrechten zijn geenszins arbitrair, noch een vorm van "seculiere theocratie". (3) De mensenrechten zijn gefundeerd in het wetenschappelijk onderzoek van de menselijke behoeften ( onbe-vred(e)-igde mensen worden ziek) en zijn een soort expertise van de basisvoorwaarden van een vredelievende samenleving. Dit betekent dat wie een verdraagzame, tolerante samenleving wil bouwen, de mensenrechten nodig heeft. Bij omkering van de redenering beogen mensenrechtennegationisten (zoals die in libertarische kringen ruim voor handen zijn zie (1)) geen vredelievende en verdraagzame samenleving, integendeel. Waarom zouden zij moeten kunnen genieten van de rechten die ze zelf sterk bestrijden? Expressies die enerzijds de kwaliteitstoets niet kunnen doorstaan (valse feiten, drogredeneringen, wetenschappelijk onverantwoord,...) en anderzijds mensenrechten schenden of daartoe aanzetten (zware beledigingen, aanzetten tot haat tegen groepen of personen,...), kunnen dus geen beroep doen op de juridische bescherming van de vrijheid van meningsuiting. (**) Opdat iemand een grondig gefundeerde mening zou kunnen opbouwen, heeft hij daartoe het nodige materiaal en de nodige middelen nodig. Een mening komt niet vanzelf. Dit aspect van vrije meningsuiting roept onder meer volgende vragen op :. -
Is objectieve informatie voor handen? Opdat iemand een kwaliteitsvolle mening vrij zou kunnen construeren, dient hij opgevoed en gevormd tot een zelfstandig denkend individu, en moeten de nodige middelen voor handen zijn.. Of nog: zonder vrij onderzoek, geen vrije mening, en dus ook geen vrije meningsuiting. Wat betekent dat ook "vrij onderzoek" niet "absoluut" vrij is, en dus best niet met hoofdletters wordt geschreven. Met de woorden van Martha Nussbaum:
(***)Tot slot gaat het over het uiten van een mening in een effectief communicatieproces. Opdat die uiting vrij en mogelijk zou zijn, stellen zich daarbij over vrije meningsuiting vragen als:
- Is het uitnodigend om een mening te uiten in alle aanvaarding door
de toehoorders? Luistert er iemand? Zodanig gevormde en geuite mening vallen onder de bescherming van de vrije meningsuiting. Men kan die als een doel op zich beschouwen, maar beter nog zien in functie van een dialectisch, door spraak en tegenspraak groeien in inzicht van waarheid, in rationaliteit. Deze rationele meningen vinden hun weg naar het politieke weg langs democratische kanalen, en vormen zo de basis van een zich emanciperende samenleving. Een belangrijk besluit is tevens dat "vrije meningsuiting" als vrijheid veel meer omvat dan alleen "vrij spreken" of de-al-dan-niet "toegelaten mening": vrijheid in het vormen van de mening (opleiding, bronnen en middelen); de veiligheid, ongestoordheid en ontvankelijkheid van de communicatie; het kwalitatieve aspect van een stelling die haar tot mening maakt; het respect voor de mensenrechten. De problematiek van vrije meningsuiting is zinloos als al deze facetten niet de nodige aandacht krijgen door het onderwerp te vernauwen tot "vrij spreekrecht". Of, met ander woorden: vrije meningsuiting gaat ook over het organiseren van de maatschappelijke context waarbinnen de vrije mening kan gedijen, over veiligheid, over middelen, over vorming. Volgend antwoord van Amnesty International op een brief van de libertarische site "De Vrijspreker", illustreert duidelijk het verschil tussen vrij spreekrecht en vrije meningsuiting.
4.
Besluit Niet onbelangrijk "detail" is dat democratische censuur in de werking van een democratische rechtstaat kadert op basis van de mensenrechten, maar dat met "vrij spreekrecht" of op basis van bedrijfsreglementen anderen beletten hun mening te uiten, getuigt van volledige willekeur. De mogelijke straffen die uit zulk een democratisch en tegensprekelijk vonnis volgen betreffen het verbieden van een publicatie, niet het vernietigen van de publicist door opsluiting, foltering of doodstraf. Kritiek op een bepaalde wet, een anti-discriminatiemaatregel, die volgt uit een toepassing van een anti-discriminatieprincipe, kan ook nooit reden tot censuur zijn (4). Alleen de schending van de mensenrechten zelf is reden tot democratische censuur, die slechts toepasbaar is een zeer beperkt aantal gevallen en waardoor een grote diversiteit aan meningen mogelijk gemaakt wordt. Dit soort democratische censuur kan dus nooit "dictatoriaal", "totalitair"of onverdraagzaam zijn. Vrije
meningsuiting is in tegenstelling tot vrij spreekrecht nooit absoluut,
maar is dus ook niet begrensd door om het even wat, maar uitsluitend
door de mensenrechten, die gefundeerd zijn in de unversaliteit van het
wezen van de mens. Vrije meningsuiting (5) stelt
de kwaliteit van de mening voorop in het zoeken naar de basisvoorwaarde
van een verdraagzame en vredelievende samenleving. Het is juist door
de vrije en veilige interactie dat we samen daarin groeien.
Voetnoten (1) Het libertarisme levert in sterke mate de "intellectuele munitie" voor extreem-rechts in België. Opvallend zijn daarbij auteurs als: Frank Van Dun: Natuurlijke rechten vs. Mensenrechten , De utopie van de Mensenrechten, De filosofie van het liberalisme in een tijd van vermaatschappelijking Matthias Storme: De vrijheid om te discrimineren (Matthias Storme kreeg voor zijn "strijd tegen de anti-discriminatiewetgeving" de "Prijs van de Vrijheid" van de flamingante libertarische denktank Nova Civitas - die ook aanleunt bij extreem-rechts - meer bepaald uit de handen van Marc De Vos, de huidige voorzitter van de al even conservatieve en libertarische denktank Itinera Institute. Beide denktanks onderhouden goede contacten met de extreem-rechtse site "Brussels Journal" van Paul Beliën, de huisideoloog van het Vlaams Belang. Matthias Storme is ook een geapprecieerd academicus op "politics.be", het internetforum dat volgens Blokwatch behoort tot de "fanclub van Jurgen Verstrepen") Jos Verhulst: Pleidooi tegen "Respect" , De Onverdraagzame "Verdraagzaamheid" Een interessante getuigenis over het verband tussen libertarisme en extreem-rechts in Nederland: Extreem-rechts in een anarchistische jasje Hier vindt u ook basisargumenten over het verband tussen libertarisme en extreem-rechts. (2) Vrije meningsuiting is dan ook niet alleen legaal, maar ook ethisch. Anderen het spreken beletten behoort volgens de voorstanders ervan, onder "vrij spreekrecht". Zie hierover: Het Vlaamse Belang en de vrijheid van meningsuiting: van een oxymoron gesproken" van Koen Lemmens:
(3) Het verwijt aan de UVRM als een "Theocratie"," Eureligie", "Religie van de Mens" die de basis zou leggen voor "mensenrechtenfundamentalisme" is volkomen ongepast. Over welke kritiek gaat het? a. Mensenrechten zouden de dictatuur van de menselijke begeerten zijn. Dit verwijt gaat terug op een verwarring tussen behoefte en begeerte: het recht op voeding betekent immers niet het recht op een pak friet met stoofvlees. b. Mensenrechten zouden zelf-verantwoordelijkheid vernietigen. De mensenrechten zijn echter helemaal geen pleidooi voor onmiddellijke behoeftenbevrediging: het recht op voeding is niet "het recht op gevoederd worden". c. Mensenrechten zouden contradictorisch zijn. Die aanmerking gaat voorbij aan de essentie van artikel 30, nl dat geen recht mag worden ingeroepen om een recht ander te schenden. Dit betekent dat in sommige gevallen er een conflict van rechten ontstaat (tussen hetzelfde recht van twee partijen, of tussen twee verschillende rechten) die door een rechter in evenwicht dient gebracht in functie van de context. Artikel 30 UVRM is dus een bevestiging dat de mensenrechten ondeelbaar zijn, een evenwichtige levensvisie en een "wijze" rechtspraak" promoten of vereisen. d. De rechtvaardigheid van de mensenrechten zou onrechtmatig zijn, en wie zich beklaagt over discriminatie "afgunstig". Daartoe baseert het libertarisme zich op een antropologie van autarkische vrijheid, waarbij mensen in een vacuüm opgroeien en de resultaten van hun werk, nl. hun eigendom, absoluut uitsluitend aan zichzelf te danken hebben. De libertarische natuurrechten zijn niet meer dan een recht op uitbuiting. e. Een religie of godsdienst is gekenmerkt door het geloof in bovennatuurlijke elementen, het herhalen van gestileerde en onveranderlijke rituelen die de geloofsgemeenschap controleren. Zulke rituelen bestaan niet in verband met mensenrechten, evenmin is er sprake van bovennatuurlijke elementen: mensenrechten gaan over de concrete en immanente mens. Die godsdienst-kenmerken bestaan wel in verband met de "Vrijheids"-verafgoding van sommige groepen: zij hebben geregelde bijeenkomsten waarin zij de cultus van de "De Vrijheid" (als transcendent begrip) belijden en waarbij ze regelmatige "rituelen" opvoeren waarbij de mensenrechten worden geridiculiseerd. Door deze rituelen worden de "geloofspunten" er steviger bij de aanhangers ingeprent. De motivaties van de geuite kritiek is zo verweven met drogredenen dat men waarlijk het beeld van "Vrijheids-sekten" krijgt. f. Mensenrechten zouden arbitrair en subjectief zijn, het product van een elite-democratie. Dat verwijt is onterecht omdat mensenrechten een soort expertise uitmaken die voor falsifiëring vatbaar is. De lijst van "onverantwoord onderscheid" is voor aanpassing vatbaar. De kernvraag is niet of er zulk een lijst mag bestaan, maar wel wat er in thuishoort en wat niet. Mensenrechten verwijzen ook naar wetenschappelijk bestudeerbare basisbehoeften van de mens. Meer algemeen hangt dit verwijt samen met een hang naar subjectivisme, waarbij inhoudelijke kwesties herleid worden naar gezagsargumenten. Uiteraard is dit een variatie op het "ad hominem" en een drogredenering. Objectiverende wetenschappelijke kennis, is per definitie niet absoluut en perfect, maar ook niet waardeloos of arbitrair. De kernvraag is hier ook: "Hoe kan men wat onderzoeken", en niet het subjectiverende: "Wie heeft het hier voor het zeggen?". Verantwoord wetenschapelijk onderzoek is het antwoord op dit relativistisch subjectivisme. g. Anti-discriminatiewetgeving zou de middenklasse (?) in de armen van extreem-rechts drijven. Hier spreekt een bizar beeld over zakenmensen: goede zakenlui weten dat zaken-doen eerbiedwaardig behoort te zijn, en hebben bijgevolg geen bezwaar tegen respect voor mensenrechten. Interessante link: "Storme dwaalt" (4) In het kader van het verschil tussen rechtsprincipe en beleidsmaatregel is het belangrijk te wijzen op het gevaar van ethische arrogantie. Onder ethische arrogantie versta ik het vereenzelvigen van principe en maatregel, of het maken van een verkeerde contrapositie in het moreel-logisch denken. Stel dat ik een maatregel (m) verantwoord met het principe (p), dan is dit formeel: (m -> p). Door contrapositie is deze redenering dezelfde als: ~(m -> p)= ~p -> ~m waarbij ~(m -> p) = ~m -> ~p de verkeerde contrapositie is. De laatste redenering kan alleen niet vals zijn als p = m of m = p, dus als maatregel en principe vereenzelvigd worden. Dat is ethische arrogantie. Pas ik dit even toe op het homohuwelijk: wie voor het homohuwelijk is, is tegen discriminatie, dus wie voor discriminatie is, is tegen het homohuwelijk. Vals of ongeldig is: wie tegen het homohuwelijk is, is voor discriminatie. Of anders: progressieven kunnen best tegen het homohuwelijk zijn, zonder "conservatief" te worden. Of korter: Homofoben zijn tegen het homohuwelijk, maar niet iedereen die tegen het homohuwelijk is, is homofoob. De vereenzelviging van "tegen homohuwelijk" met "homofoob", of van "voor homohuwelijk" met "progressief", noem ik ethisch arrogant. Ethische bescheidenheid noem ik dan het bewustzijn dat een moreel of rechts- principe op verschillende manieren in een beleidsmaatregel kan worden omgezet. Belangrijk is op te merken dat het juist onder meer de ethische arrogantie is, die mensenrechtennegationisten een aanleiding geeft om zich erover te beklagen dat ze gebrandmerkt worden, als ze "anders denken". (5) Verdere teksten over verdraagzaamheid en vrije menigsuiting: UNESCO: A Global Quest for Tolerance Herbert Marcuse: Repressive Tolerance Jan Blommaert: De crisis van de vrije meningsuiting Lasse Thomassen: The Inclusion of the Other ?
|
|||||||